Hoofdstuk 1

Opening

Roerloos zit hij in zijn pyjama met zijn gezicht naar de deur. Ingespannen luistert hij of hij haar hoort, maar zijn oude oren kunnen haar onmogelijk horen op de trap. Zijn rimpelige oude hand hangt trillend boven de rode knop waarmee hij de deur kan openen. Hij voelt dat ze eraan komt.

Maar hoe lang zit hij hier al? Meestal belt ze hem uit bed, maar vandaag was hij al eerder wakker geworden en was hij maar gaan zitten. Hij weet niet meer hoe laat hij wakker was geworden. Misschien voelt hij haar ook helemaal niet komen en zit hij gewoon maar lang te wachten en te hopen. Toeval kun je afdwingen door heel vaak een gelegenheid te creëren.

De bel gaat. Twee keer, dat is de afspraak tussen hen.

Een triomfantelijk gevoel van zie-je-wel bekroop hem en met al zijn kracht drukt hij op de knop. Hij hoeft zijn stramme knieën niet te folteren door op  te staan. De deur gaat langzaam en schokkerig open.

'Goedemorgen meneer Onderdelinden.'

Een jonge vrouw komt de deur door met een volle supermarkt tas in elke hand. Balancerend op haar rechter been schopt ze zachtjes de deur dicht met haar linker. Even lijkt ze te vallen. Haar armen met de tassen bewegen om haar evenwicht te houden. Haar borsten deinen een beetje in haar witte verpleegster jurk met eigenlijk net een knoopje teveel los voor een bezoek aan een oude man.

 

Jarenlang raakte hij niet uitgepraat over het onnut van de verzorgingsstaat en na een paar bierjes kwam steevast zijn monoloog hierover weer op gang. Mensen waren al gewend geraakt aan zijn oratie dat de huidige inrichting van de verzorgingsstaat in zijn ogen een aperte obstructie is van de complete evolutie.

Al 130 jaar woedt deze strijd tussen Charles Darwin en Karl Marx, die door de laatste al gewonnen leek te zijn in het ene jaar dat hij lager heeft geleefd. In de ogen van Max valt ook eenvoudig Darwin als winnaar aan te wijzen. Evolutie gaat immers over de natuur en de vooruitgang daarin, terwijl economie en inrichting van de samenleving louter een verzinsel van de mens zelf is. De evolutie betreft, in zijn ogen, een veel fundamenteler fenomeen dan een socialistische heilstaat. 'De verzorgingsstaat is een bezigheidje van de mens zelf die de mensen die ziek, zwak en misselijk zijn beschermen tegen de ondergang, een ondergang die door de evolutie wordt aangemoedigd.' Max ziet deze strijd tegen de natuur als bewijs van de arrogantie van de moderne mens, om met wat slimme bedenksels in ruim honderd jaar te proberen om een structuur van miljoenen jaren te ondermijnen. 'Het gehele fenomeen van de economie is opium voor het volk, en niet slechts de godsdienst zoals Marx dacht. Wanneer we de natuur de natuur hadden gelaten dan was er van overbevolking geen sprake geweest en was de uitputting van de aarde ook niet aan de orde. De zwakkeren waren vanzelf dood gegaan en de alom aanwezige idioten hadden elkaar en velen met hen in oorlogen gewelddadig van het leven beroofd.'

Natuurlijk had hij deze monologen afgestoken vanuit de arrogante en rotsvaste overtuiging dat hij, Max Onderdelinde, aan de goede kant van de streep verkeerde en altijd zal blijven verkeren. Dat hij het zelf wel aan kon, ondanks en niet dankzij de zorgen van het systeem. Hij leefde in de veronderstelling dat hij mensen aan hun lot kon overlaten, zonder dat hij aan zijn lot zou worden overgelaten. En lang leek dat ook zo te zijn. Maar nu is hij zelf een van zieken, de zwakkeren en de misselijken die hij eerder zo verguisde. Getaand door de jaren en zijn roekeloze leven, moet hij nu toestaan dat deze jonge bloem als onderdeel van de verzorgingsstaat elke ochtend zijn kont komt wassen.

 

'Heeft u goed geslapen?'

Ze is al in de keuken en pakt alles uit.

'We gaan u straks even helemaal netjes maken op deze bijzondere dag', roept ze vanuit de keuken. 'Maar eerst even ontbijten. Ik heb griesmeelpap meegenomen. Vanochtend zelf gemaakt.'

Hij heeft weinig zin om iets te eten. Met een paar koppen koffie kwam hij meestal de ochtend wel door, maar sinds Sanne hem verzorgt eet hij 's ochtends weer een klein ontbijt.

'Wie eet er nog griesmeelpap? Dat is voer voor boeren', moppert hij zachtjes.

'Wat zegt u?'

Ze komt de kamer binnen met een groot dienblad met twee broodjes, wat kuipjes jam, een kom met pap, een glaasje jus en een klein vaasje met een gele roos erin. Een gele roos!

"Hoe weet ze dat? Hoe kan ze dat weten?"

Al pratend zet ze het dienblad op de tafel voor hem.

'Mijn kat had buikgriep dus ik was om vijf uur wakker.'

Hij neemt de roos in zijn hand.

'Ja, dat leek me wel zo gepast', ze probeert zijn gedachten te raden. 'Maar nu niet getreuzeld met eten, anders wordt alles koud. Ik heb niet voor niks vanochtend vroeg in de keuken gestaan.'

Hij staart naar de roos in zijn handen.

'Meneer Onderdelinden! Even concentreren nu hoor. Anders komen we te laat.'

Inderdaad, even concentreren nu. Hij zet de roos langzaam terug in het vaasje. Ze kunnen niet te laat komen.

 

w#868